Jassen (1989)

In de trein van Amsterdam naar Eindhoven was aanvankelijk mijn enige gezelschap de stapel tijdschriften die ik had aangeschaft met het voornemen eens lekker te gaan lezen. Ik had immers een lange rit voor de boeg? Dat dit – zeker in Nederland – een zeer relatief begrip is, vernam ik van een kennis die een uit Canada op bezoek zijnde oom vanuit Amsterdam meenam naar de Veluwe. Na de anderhalf uur durende autorit die nodig was om daar te komen, sprak oom zijn waardering uit over het natuurschoon, en vroeg toen ‘of Amsterdam nog meer van zulke parken had.’

Vlak voordat de trein wegreed werd het compartiment betreden door vier mannen die – ondanks de vrieskou – onmiddellijk hun jassen uitdeden en het raampje openschoven. Zij hadden blijkbaar een heel ander voornemen voor deze reis, want in hun bagage bevond zich een aantal trays met blikjes bier. Zij noemden ze liefkozend ‘treedjes’, waarschijnlijk omdat deze de bestijging van de trap van het alledaags bestaan gemakkelijker maakten. Ze hoefden zich vooralsnog niet aan de leuning vast te klampen, want op deze geoefende drinkers had het bier nauwelijks invloed. Toen even voor Utrecht de eerste tray leeg was, had hun gedrag nog niets voetbalsupporterigs.

En hoewel de NS er alles aan doet, met Intercities en hogesnelheidstreinen, het tempo van deze heren kon ze toch niet bijhouden. Zo kwam het, dat even voor Den Bosch de voorraad dreigde op te raken en er krijgsraad nodig was. Een van de vier ging op strooptocht naar de buffetwagen, maar kwam terug met de laatste vier blikjes die deze rijk was. De spreekwoordelijke druppel op de gloeiende plaat. Goede raad was duur, totdat een ander uit het gezelschap ­zich herinnerde dat de trein in Eindhoven enige minuten zou wachten. Die zou men kunnen benutten voor het verversen van de voorraad.

Nou heb ik een voorzichtige natuur, die me altijd minstens een half uur voor afspraken en theatervoorstellingen aanwezig doet zijn. Het plan van de vier was dus in mijn ogen een vorm van zeer gevaarlijk leven, die me zeer intrigeerde. Ik kwam niet meer aan m’n tijdschriften toe. Bovendien waren we bijna bij mijn station, Eindhoven.

Daar was het was net licht gaan sneeuwen toen de twee snelsten van de vier zich (nog steeds in hemdsmouwen) het perron op repten op zoek naar het begeerde gerstenat. Omdat ik – zie boven – toch ruim op tijd was, nam ik plaats op een stationsbankje om te zien hoe deze mini-thriller zou aflopen. De achterblijvers hingen uit het raampje, zij waren minstens zo benieuwd. De vrieskou won het tenslotte echter van de nieuwsgierigheid en deed de hoofden weer verdwijnen. Zodoende konden die hoofden dus niet zien hoe hun collega’s – beladen met bier – op ’t nippertje het perron weer op kwamen hollen. De conducteur floot al, maar ze slaagden er toch nog in achterste wagon binnen te springen. Opgelucht wurmden ze zich met hun buit door de trein naar voren richting hun makkers.

Ik was nog steeds verbaasd hoe weinig invloed het geconsumeerde bier op ze had gehad. Van zeer nabij had ik gezien hoeveel pilsjes de mannen al op hadden, ik zou allang in het bagagenet gelegen hebben. Maar deze mannen niet. Deze mannen konden nog lopen. Deze mannen waren zelfs nog zeer helder van geest. Hoe zouden de twee achterblijvers in het compartiment anders op het lieve idee hebben kunnen komen om de jassen en tassen van de in hun ogen gestrande collega’s door het openstaande raampje op het perron te gooien?

Advertenties

Bingo (1978)

Op vakantie in Engeland vatten wij op een avond het plan op om het daar zo populaire Bingo te gaan spelen. Wij vervoegden ons daartoe in de plaatselijke Town Hall, een geheel uit formica en plakplastic opgetrokken ruimte, helverlicht door dezelfde tl-lampen die op de wereldtentoonstelling van 1956 zo’n opzien baarden. Tussen de andere bezoekers vielen we beslist op, niet in de laatste plaats door het feit dat wij nog beschikten over een compleet gebit. Ook hadden de anderen zonder uitzondering de oorlog bewust meegemaakt – een enkeling zelfs de laatste twéé.

De bingo-spelregels waren eenvoudiger dan ik had vermoed: men had de beschikking over een vel met een aantal getallen en daar kon ieder naar hartenlust in een door de spelleider aangegeven tempo zijn handtekening oefenen. Om het geheel wat meer cachet te geven, gold bovendien nog als spelregel dat degene die een valse bingo had, een rondje voor het personeel van de bar diende te bekostigen. Toen wij – de olijke jongens op vakantie – het na enige tijd dan ook wel gezien hadden, legden we wat geld bij elkaar en riepen, met tussenpozen van vier à vijf minuten “Bingo!”, met als gevolg dat het hele bedienend personeel na een uur total loss door het pand zwalkte – vanaf dat moment hadden wij vrij drinken.

Aangemoedigd door dit succes, haalden wij de plaatselijke dorpsgek over om ons te helpen zoeken naar ons weggelopen hondje Bingo, welke naam hij luidkeels door het vertrek begon te roepen. Omdat de spelleider inmiddels had afgezien van de rondjes-voor-het-personeel, moest hij een alternatieve straf bedenken; dat werd ophanging in het openbaar (ook nog een hele gezellige dag geworden).

Leuke afsluiting van het geheel was dat wij de eerste prijs in de wacht sleepten: een massief eiken origineel Queen Anne tweepersoonsbed met ingebouwde stereoradio, dat  – tegen onze verwachting in – niet uiteen kon worden genomen. We hebben het dan ook in de Town Hall moeten achterlaten. Dus als u ooit met een vrachtwagen naar Zuid-Engeland op vakantie gaat, wilt u het dan voor ons meenemen? U zou er de locals een groot plezier mee doen, want ’t staat nogal in de weg bij het bingoën.

Ongemerkt (1990)

Janwillemshag

Stel, u bent de eigenaar van een koffiebranderij. Of van een koekjesfabriek. En u heeft een nieuwe soort koffie bedacht. Of koekjes. U zult het dan wel uit uw hoofd laten om die Roodmerk of San Francisco te noemen. Omdat wanneer u het niet uit uw hoofd laat, vroeger of later Mevrouw Sara Lee of Meneer Verkade voor uw deur staat om te vragen of u nou helemaal van de merkenrechtelijke pot bent gerukt. Mevrouw en meneer zijn namelijk eigenaren van die merken en zullen u hoogstwaarschijnlijk geen toestemming verlenen om ze voor uw versnaperingen te gebruiken.

Stel, u heeft een tabaksfabriek. En u heeft een nieuwe soort shag bedacht. Maar u wilt niet de vrouw van de overleden Meneer Van Nelle aan de deur hebben, om van een leeuw nog maar te zwijgen. Toch moet die shag een Hollands karakter meekrijgen, en stijl. Hoe noemt u dan uw shag? Niet De Weduwe dus. En ook niet Samson. Nee: u noemt hem – godbetere het – Jan Willem! Mag ik even vangen? Nee, dus! Terwijl het mijn sociaal leven op hetzelfde peil brengt als dat van een compleet uitgedoste PSV-supporter die door de mist misleid de F-side tribune beklimt. Op geen verjaardag hoef ik me meer te vertonen, zelfs die van mijzelf niet. Cafés moet ik na drie keer “Zullen we nog een Jan Willem draaien?” halsoverkop verlaten en in de trein word ik keer op keer uit de Niet Roken-sectie verwijderd. Bedankt. En dat alles omdat mijn ouders indertijd verzuimd hebben mij, naast het aangeven, te laten deponeren. Daarom ben ik boos. Alleen maar omdat ik een meneer ben, en geen merk, kan iedereen mijn naam maar gebruiken. Bij mijn advocaat (zelf toch ook een slachtoffer) hoef ik ook al niet aan te kloppen: procederen heeft geen schijn van kans.

U bent dus gewaarschuwd. Laat uw naam registreren, het is nog niet te laat. Maar wacht niet te lang. Voor u het weet bent u tijdelijk voordeliger, beter smeerbaar of nu ook als light verkrijgbaar. En mankeert u dan iets, dan moet u niet meer naar een dokter, maar naar een marketing-deskundige, die u hoogstwaarschijnlijk zal vertellen dat u over het hoogtepunt van uw life cycle heen bent. Of u dus maar even de rekening direct en contant wil betalen. Leg dat maar eens uit aan uw ziektekostenverzekering.

Jan-Willem® Kunnen

Graffiti (1980)

Het was nog zo’n ouderwets bushokje waar ik zat te wachten. Met spuitbussen gewapende onbekenden hadden hun voorliefde voor bepaalde aspecten van de menselijke biologie hier niet onder stoelen of banken gestoken. Integendeel. Tot aan het plafond toe was het een kleurrijke kakafonie van in meestal primitief Engels gestelde kreten. Daarom intrigeerde het mij, dat halverwege, in sierlijk-ouderwetse letters, groot stond geschreven “Vlinders in uw buik?”

Het stond daar zo mooi – als de spreekwoordelijke bloem op de vuilnishoop. Ik was niet de enige die zich erover verwonderde, want even later las een man, die mij in het hokje gezelschap kwam houden, de tekst hardop voor. Hij was wat ze geloof ik noemen ‘een vlotte zeventiger’. “Dat zult u nou gek wel vinden van een oude man”, zei hij, “maar dat is een tekst waar ik me helemaal in kan vinden!”

Ik vond het allerminst gek, en antwoordde ook in die strekking. Hij ging naast me zitten. “Ach meneer, een ouwe vent van 82 hoort toch niet meer verliefd te zijn?”

“Waarom niet? Liefde kent immers geen leeftijd; daar kunt u nu wel over meepraten”, zei ik, omdat ik vermoedde dat er nog een vervolg zou komen. En inderdaad. “Mijn vrouw is al tien jaar dood, en sinds die tijd ben ik altijd alleen geweest. Je begrijpt wel dat ik dus reuzeblij was toen ik vorig jaar in het huis kennis kreeg aan een dame. Ik woon namelijk in een bejaardenhuis, ziet u?”

“Oh, dat daar verderop”, begreep ik.

“Nee, daar woont zij nu. ’t Mijne – waar we vroeger allebei woonden – is helemaal aan de andere kant van de stad. Hebben onze lieve kinderen voor gezorgd, dat zij hiernaartoe is verhuisd. Want vlinders in onze buik – hij knikte naar de tekst – kan niet meer op onze leeftijd. Volgens hun dan. “Op jouw leeftijd, pa! Ben je moeder dan al vergeten, pa? Denk toch aan je hart, pa!” Hij was een goede imitator. “Omdat ik geen geld heb om met de bus op en neer te rijden, dachten ze natuurlijk, uit het oog, uit het hart. Nou, dan hebben ze het mooi mis!” Hij haalde een beduimeld mapje uit z’n zak. “Kijk, de man van die vriendin van mij is nog niet zo lang dood, en in de verte leek-ie wel een beetje op mij. Nou heb-tie altijd bij de bus gewerkt, en na je pensionering krijg je dan een kaart voor gratis vervoer. En die heb ik nou! Zo kan ik elke dag voor nop hier naar toe! En zijn we toch lekker bij mekaar.” De foto in het beduimelde mapje had inderdaad wel iets van hem weg. Hij kwam iets dichterbij me om met een knipoog te zeggen “Nou kent hier in de buurt iedereen zo’n beetje iedereen, en die buschauffeurs weten heus wel wie ik ben. Ik denk dat ze wel schik in me hebben. Van hun mag ik tenminste vlinders in m’n buik hebben!”

Toen de bus kwam, keek ik nog één keer naar de tekst. Nu pas zag ik dat onder Vlinders in uw buik? in hetzelfde sierlijke handschrift, héél klein geschreven stond Dan waren die rupsen die u gisteren gegeten heeft niet vers meer.

Vroeg – in de reclame (1991)

Ook op een reclamebureau hoort er af en toe iets bij de koffie. Als er weer eens iemand jarig is, of zwanger, of juist niet. Of gewoon zomaar voor de gezelligheid. Mensen boven salarisklasse 10 gaan dan naar de-banketbakker-op-de-hoek (en boven klasse 12 laten ze het zelfs bezorgen), maar wij – de sufferds –  gaan naar de Hema. Want daar smaakt ’t hetzelfde maar kost ’t de helft. En op de zaak pak je de hele boel over in een speciaal daartoe bewaarde doos van de Echte Bakker en niemand merkt het verschil. Tenminste, dat was mijn strategie toen het die ochtend mijn beurt was.

Met een “lk ga even naar de bakker” verliet ik om kwart over tien het pand met een air van iemand die naar niemand minder dan de Echte Bakker gaat. Ik had echter buiten de waard gerekend; verschillende waarden, om precies te zijn. Want op mijn stiekeme tocht naar de Hema kwam ik wel vier collega’s uit salarisklasse 10-en-hoger tegen. Zij waren op weg naar het pand dat ik zojuist onder valse voorwendsels verlaten had, om daar hun dagelijkse arbeid te beginnen. Ik veinsde overdreven aandacht voor mijn horloge (het was inderdaad kwart over tien), maar het hielp niet, want drie van de vier herkenden me toch, en één groette me zelfs. Daar ging m’n cunning plan. Dit gebak zou me geld gaan kosten.

Terwijl ik in hemelsnaam dan maar bij de Echte Bakker (“Leuk u weer eens te zien”) zuinig gebakjes aanwees, bedacht ik dat ik zojuist een aantal instandhouders van een mythe had ontmoet. De mythe dat een reclamebureau pas rond elf uur gaat leven. Ik werkte nog niet zo lang in de reclame toen ik er voor het eerst van hoorde. Het was op een reclame-feest tijdens een van de zeer schaarse pauzes die viel tijdens aan de muziek verwant voortgebracht kabaal. “Hoe laat gaat ons pand eigenlijk open? Om een uur of negen of zo, zeker?” vroeg iemand me, en ik was te verbaasd om direct te antwoorden. En daarna werd het me belet door tientallen decibellen. Kende hij De Huismeester dan niet? Zo bleef de mythe in stand.

Persoonlijk was ik wel een illusie armer, want ik was naar het feest gekomen in de veronderstelling dat het de bedoeling was om collega’s beter te leren kennen door met ze te práten (ik zei het al, ik werkte nog niet zo lang in de reclame). Maar ik wist in ieder geval al wél dat je vanaf half acht ’s ochtends met een gerust hart kon verschijnen om ongestoord aan het productiefste uur van de dag te beginnen. De Huismeester heeft dan al gezorgd dat het licht brandt, de verwarming aanstaat, en – het belangrijkste van al – dat er koffie is. Die door De Huismeester verzorgde koffie vormt namelijk de spil van de machine die mijns inziens reclame-feesten overbodig maakt: de “Acht Uur Club”. Net als bij de reclame-feesten vinden de ontmoetingen van deze club buiten werktijd plaats, en kun je er collega’s van allerlei pluimage ontmoeten. Maar daarmee houdt de analogie op. Het is vóór werktijd (i.p.v. erná), de plaats van ontmoeting is verre van exotisch (de postkamer) en je kunt elkaar verstáán. Zodat je je niet hoeft te beperken tot non-verbale communicatie en dus een hoop te weten kunt komen. Dat maakt de “Acht Uur Club” zo interessant: iedereen kan er lid van worden, gewoon door er naar binnen te lopen. Dan voldoe je automatisch aan de enige toelatingseis: je moet niet geloven in de mythe. Aan het lidmaatschap zijn vele voordelen verbonden. Eén daarvan is, om De Huismeester te citeren: “Je bent wat eerder gekomen, dus mag je wat later weg.”

En de club bleef bestaan, ook toen De Huismeester met pensioen ging. Eenvoudig omdat het reclamebureau niet meer zonder kon. Al werd het natuurlijk nooit meer hetzelfde, zonder De Huismeester. Daarom hebben we ’m laten beloven af en toe nog eens langs te komen. Voor een kopje koffie met iets erbij.

Van de Hema.

In de Reclame (1990)

Het Idee wordt ’s zaterdags geboren, onder het onkruid wieden. Ieder ander mens zou het opgeborgen hebben in de grote oneindigheid van zijn Intern Geheugen, maar een Copywriter schuift dan schoffel en hark terzijde en begeeft zich, met een blik die Niet Storen betekent, naar zijn werkkamer. Ach, zijn vrouw is er al aan gewend en laat het maar zo. Zij weet ook wat er volgen gaat. Eerst gaat er getelefoneerd worden, en ongeveer een uur later wordt er aangebeld. Het is de Art Director, waarmee zij haar man deelt. Zij heeft hem de weekends, hij de rest van de tijd.

De Art Director is er direct van overtuigd dat Het Idee een Goed Idee is, en dus de moeite waard is om de rest van de zaterdag en een deel van de zondag aan de uitwerking ervan te besteden. Aan het eind van het weekend is Het Idee uitgegroeid tot Een Concept.

’s Maandags zijn ze allebei al vroeg op De Zaak, nog vroeger dan gewoonlijk. Zo gauw hij binnen is, bellen ze de Creatief Directeur, om hem de geboorte van hun Concept mede te delen. Ook hij blijkt enthousiast. Er wordt getelefoneerd en even later treedt de Account Director binnen, die aanvankelijk ontstemd is omdat-ie gestoord werd in een belangrijke vergadering, maar bijdraait als hij Het Concept gezien heeft. ‘Prima concept’, bromt hij en belooft nog die ochtend met De Klant te bellen.

Nu is het al niet meer Hun Concept, maar Het Concept Van Het Bureau. De Account Director houdt woord. Hij belt met De Klant, en krijgt de Junior Product Manager aan het apparaat. Is de Senior Product Manager er niet? Jawel, maar die zit in een belangrijke bespreking. Maar zegt u het maar! De Account Manager doet met tegenzin zijn verhaal en de Junior Product Manager erkent dat de zaak gewichtig genoeg is om de Senior Product Manager uit z’n bespreking te halen. Zodoende doet de Account Director vijf minuten later z’n verhaal nog ’ns. Niet tevergeefs. De Klant deelt het enthousiasme van Het Bureau. Tenminste, als de Marketing Director óók akkoord gaat. Hij gaat het direct aan hem voorleggen. ’s Middags belt de Marketing Director persoonlijk terug. Hij is in principe (’t is een voorzichtig man) akkoord, en geeft nog wat suggesties voor kleine wijzigingen. Verder een prima Idee. Het Bureau kan aan de slag.

Zodoende wordt Het Idee de volgende dag een Spoedklus. Met een officieel Jobnummer, een Budget en een Map. En een ongeduldig Creatief Team, dat steeds wil weten hoe Het ermee staat. Wel, de dame van Traffic die gebriefd werd door de onder de Account Director vallende Account Manager ontfermt zich erover. Zij gaat in conclaaf met het Hoofd Studio, die op zijn beurt een Werktekenaar bij zich roept. Terwijl deze naar De Zetterij belt en zijn werktekening vast opzet, rept de Trafficster zich naar De Fotograaf, om hém te briefen. En daarna rept ze zich terug om op Media de plaatsing te regelen. Onderweg komt ze Het Creatief Team tegen, dat wil weten hoe Het ermee staat.

Dat weten we pas twee dagen later, als De Fotograaf en De Zetterij hun werk hebben afgeleverd. Onder het kritisch oog van Het Creatief Team wordt De Advertentie door De Werktekenaar in z’n definitieve vorm gegoten. De Corrector geeft er gelukkig ook z’n zegen aan en zo kan de Man van Productie om exact 18 uur 30 de Envelop voor de Lithograaf in de handen van de Koerier duwen, die juist aan z’n zevende kop koffie zou beginnen. De volgende middag wil het Creatieve Team juist weer vragen hoe Het ermee staat, als De Lithoproeven binnenkomen. Men is niet tevreden, maar er is geen keus. De Litho’s moeten door. De Krant wacht niet. De Koerier ook niet, maar gelukkig kan de Lijvige Portier hem overreden om te wachten. Zo komen de litho’s op tijd bij De Krant.

En zo komt het, dat De Copywriter – gezeten in de trein naar huis – nieuwsgierig de man gadeslaat die tegenover hem De Krant leest. Achterop staat Zijn Advertentie en hij is er bijna aan toe. De man slaat de achterpagina op en werpt er geeuwend een blik op, vouwt de krant dicht, propt hem in de prullenmand en valt onmiddellijk in slaap.

De Copywriter staat op, zijn station nadert. Als hij uitstapt, neemt hij zich voor morgen vrij te nemen. Zijn tuintje moet nog gewied.

Pasen (1981)

Het was een dag geweest als alle andere, totdat in de straat een in overall geklede man was verschenen. Hij verwijderde het plaveisel met groot gemak en lawaai, en begon vervolgens het zich daar onder bevindende zand op een hoop te scheppen. Toen er na een uurtje aldus een aardige kuil was gevormd, vond hij het blijkbaar mooi genoeg. “Hoe meer je er uithaalt, des te groter wordt-ie”, sprak hij maar eens filosofisch. Uit een meegebrachte tas haalde hij vervolgens een voorwerp tevoorschijn, dat even later een tent bleek te zijn. Een kwartier later verried een zich verspreidende koffiegeur dat hij het al aardig naar z’n zin kreeg. Gezeten op zo’n handig opvouwbaar stoeltje, dat ook uit de tas gekomen was, zat hij nu voor de tent en keek vergenoegd naar het voorbijrazende verkeer en de wandelaars.

De mensen in de straat vonden het maar raar. Hij zat er nu al drie dagen. Van de gemeente was hij niet, want hij had die kuil binnen een uur gegraven. En van de telefoon of zo ook niet. “Misschien een kraker”, zei de buurman. “Welnee, ’t is een jonge onderzoeker”, meende meneer De Wit van driehoog. “Een jonge onderzeiker, zal je bedoelen” snibte mevrouw van Hoogstraten, die juist voor de tweede keer die dag bezig was haar ramen te lappen. Ze vond het maar een vieze bedoening. “’t Is een spion”, wist een vierde, die alle boeken van Ludlum bezat. De man lachte maar weer eens vriendelijk naar het groepje.

Maar op paasochtend zag mevrouw Van Vliet, die vanwege haar rug altijd vroeg op was, hoe de man zich voor de tent in een groot bruin-grijs kostuum hees, twee enorm lange oren opzette, een mand met eieren omhing en vrolijk weghupte. “Gelukkig”, mompelde ze, “het was de paashaas maar. Ik ben toch even ongerust geweest. Maar ja, je leest ook van die rare dingen tegenwoordig!”